MEER ZIEN DAN IK ZEGGEN KAN – 5 JAAR NAU

Nu ik aan het eind ben gekomen van het vijfde jaar van de NAU, nu ik vlak voor de eindexpositie zit, denk ik: Ik zou de NAU moeten doen.

Toen ik vijf jaar geleden op de aanmelddag kwam, was ik een beginneling in de beeldende kunst – ik ben van huis uit een schrijver. Ik kwam naar de NAU met een doos onder mijn arm met werk dat tekst als uitgangspunt heeft. Beeld was langzaam mijn leven ingeslopen, toen ik mijn teksten een eigen vorm wilde geven. Ik ging naar de NAU uit pure nieuwsgierigheid wat verdieping op dat gebied mij zou brengen. Dat ik werd aangenomen was een geweldig cadeau. Vijf jaar deed ik over het uitpakken van het cadeau. Hoewel die vijf jaar niet doorlopend een feestje waren.

De eerste twee jaren waren met recht de basisjaren. Tekenen, mixed media, ruimtelijk werk en schilderen – er was op alle fronten veel te ontdekken. Allereerst moest ik leren dat werk maken vooral onderzoeken is. Dat klinkt eenvoudiger dan het is, in ieder geval voor iemand als ik. Maken was voor mij: een idee hebben en dat dan uitvoeren en dan gefrustreerd raken omdat het werk niet zo sterk is als het idee. Op de lesdagen gingen we ad hoc, direct en snel aan de slag met uitdagende opdrachten. Kratten vol materialen mee. Niet denken maar doen. En dan de stap naar achter om te kijken wat je gedaan hebt. Heel leerzaam.




Want kijken, dat is iets dat ik ook geleerd heb op de NAU. Naar mijn eigen werk en naar dat van anderen, tijdens de werkbesprekingen. Dan zag ik de docenten bezig met het werk van mijn studiegenoten: naar voren halen wat ze goed vonden, weghalen wat ze minder goed vonden. Waarom?, dacht ik vaak en vroeg ik vaak. En dan vertelden ze wat zij zagen. Man, waar had ik al die tijd gezeten met mijn ogen?

Ik heb in de eerste jaren aan veel mensen in mijn omgeving moeten uitleggen wat de NAU nou precies behelst. Ja je krijgt les, nee je krijgt geen opdrachten voor thuis. Het idee is dat de lessen je helpen in het maken van je eigen werk. De studie is voor een groot deel zelfstudie: thuis, in je atelier, het hoekje van de kamer dat je hebt vrijgespeeld om je werk te maken. In die eerste jaren krijg je volop de ruimte om alles uit te proberen. Ik begon met kleine werken, verlegen tekeningen, en ging allengs groter en vrijer en ruimtelijker. Tekeningen hangend van het plafond, een installatie van meerdere werken bij elkaar, een gedicht in de ruimte. Maar dat was pas later.

In het derde en vierde jaar is het ‘de bedoeling’ dat je je vorm gaat vinden, je eigen visie. Hoewel velen dachten dat ze nog niet zo ver waren, tekende die visie zich bij de meesten steeds meer af. Ook bij mij moesten anderen me erop wijzen dat mijn werk herkenbaar was als mijn werk. Grappig hoe je heen kan kijken over dat wat pal voor je neus ligt. Het goeie van deze jaren, nu ik erop terugkijk, is dat ik me kon afzetten tegen dat wat ik eigenlijk ben. Ik rekte daardoor mezelf op. Ik vond het niet de makkelijkste jaren. Iedere werkbespreking een centraal examen. Aan de ene kant was school nog steeds een feest – de band met studiegenoten/lotgenoten groeide met de maand – maar er waren ook momenten van grote frustratie. It’s my party and I cry if I want to.

Blijkbaar waren ze nodig, de inzinkingen. Wat ook hard nodig was: de vasthoudendheid van de docenten, de steun van studiegenoten en mijn eigen doorzettingsvermogen. Meer nog dan in de eerste jaren wilde ik dit: mijn vorm vinden, mijn eigen werk maken. Wat hielp was het schrijven van de scriptie in het vierde jaar. Toen gingen de slingers weer omhoog. Ik dook dieper in het werk van drie kunstenaars waarmee ik me verwant voel. Ik dacht dat ik hun werk eerder al goed bekeek, maar nee. Door het schrijven ontdekte ik veel meer over hen. En over mezelf.

Wat verder enorm bijdroeg aan het plezier van de NAU waren de excursies en de reizen naar Venetië en Berlijn, heel zorgvuldig georganiseerd door Guda. Pure luxe om niks anders te hoeven doen dan ogen uit je zak en alles tot je nemen. En om met mensen te zijn die – misschien anders dan partner en vrienden – het geen probleem vinden om nachtenlang door te bomen over kunst en kunstenaarschap. Het smeedde een bond die de tijd bij de NAU hopelijk lang overleeft.




Ik struikelde het vijfde en laatste jaar in. Ook toen waren de werkbesprekingen nog uiterst spannend. Ik bleef naar voren vallen in mijn werk. Tot Jans zei: Doe eens een stap naar achter. Het was in een bijzin, in een pauze. maar de woorden vielen op hun plek. Ik deed de stap naar achter en stond ineens steviger. Ik had weer mijn tekst, mijn associaties, mijn beelden. Ik kon weer van het een naar het ander en naar de eindexpositie.

De NAU was een grote wijde cirkel om uit te komen bij een midden vanwaaruit ik kan werken. Nu ik iets meer inzicht heb in wie ik ben als maker, in wat ik wil maken, nu ik vlieguren heb gemaakt in onderzoeken, uitproberen, verwerpen en omarmen, denk ik: Ik zou de NAU moeten doen. En tegen ieder die nieuwsgierig is naar hoe je je beeldende werk en jezelf oprekt, zeg ik: Je zou de NAU moeten doen.

Ik ben nog steeds een beginneling in de beeldende kunst. En dat voelt goed. Vanaf hier kan ik verder, op de ondergrond van de NAU. De NAU was een ongelofelijk verrijking. Nu woorden steeds vaker beelden worden, zie ik soms meer dan ik zeggen kan.

Grote dank aan jullie – Guda, Jans, Annemarie, Frans, Jos en Roland
Astrid van den Berg, afgestudeerd in 2024

Scroll naar boven