“Ga je mee met de NAU-excursie naar Venetië?” Aanvankelijk hoef ik hier niet lang over na te denken. Ik hoorde er op de NAU veel enthousiaste verhalen over. Ik stuur daarom gauw een email om me aan te melden. Toch slaat de twijfel even later toe. De studenten uit mijn jaar, met wie ik veel lessen volg en goed ken, hebben zich jammer genoeg niet opgegeven. De zomervakantie met mijn gezin ervoor en een reis voor mijn werk naar de Paralympische Spelen in Parijs vlak erna maken dat ik terugtrekkende bewegingen maak. Het lijkt me allemaal te veel van het goede. Gelukkig, denk ik nu, word ik alsnog over de streep getrokken met het argument: “Je gaat er zeker geen spijt van krijgen. Het is echt een leuke excursie. Je leert elkaar goed kennen op zo’n reis.”
En dus sta ik op zondagmiddag 25 augustus op Schiphol bij de gate te wachten op de KLM-vlucht naar Venetië. Enigszins nerveus ben ik wel. Hoe zal het zijn om 5 volle dagen met NAU-studenten en -docenten door Venetië te struinen? Wat gaan we allemaal zien? Hoe zal het gaan met de groepsdynamiek? Spannend. Gelukkig wordt het ijs al snel gebroken als ik in gesprek raak met twee medestudenten die op dezelfde vlucht zitten. Ook de drie NAU-docenten die als begeleiding met de reis mee gaan en een oud-docent hebben dezelfde vlucht.
Tegen de avond landen we op vliegveld Marco Polo. Het uitzicht vanuit het vliegtuig op de stad waar we ons straks vijf dagen in kunst zullen onderdompelen is spectaculair. Het is van bovenaf duidelijk te zien dat Venetië in een deltagebied ligt en via een smalle strook voor het trein- en autoverkeer aan het vasteland is verbonden. Ik verheug me enorm. Ik was al eens in Venetië, maar heb er nooit overnacht. Een stad voelt anders als je er meerdere dagen doorbrengt.



Vanaf de luchthaven nemen we de watertaxi. Deze zet ons ruim een half uur later af bij halte Fondamente Nova. Een heerlijk tochtje. De zilte geur en zwoele lucht brengen me direct in vakantiestemming. Vanaf de halte is het nog zo’n tien minuten lopen naar de Foresteria Valdese waar we overnachten. Als ik me niet vergis zitten we in de wijk Castello. Op de kaart te zien een goede uitvalsbasis voor de bezoeken aan de locaties van de Biënnale; de Arsenale en de Giardini. Een rustige wijk zonder al teveel toeristengedoe. Heerlijk zachte kleuren zie ik om heen, van het water in de grachten en de panden. We boffen met het hostel, de Foresteria. Het lijkt wel een paleis. Maar dat is het dan ook. Het hostel bevindt zich in het Pallazo Cavagnis.
Het is al rond etenstijd als we inchecken. Ik tref mijn twee kamergenotes. Leuk, een van hen ken ik al via de lessen, de andere ga ik snel genoeg leren kennen. Wordt vast gezellig. Ik gooi gauw mijn spullen op mijn bed en vertrek met een groepje van zo’n tien studenten de wijk in op zoek naar een leuke plek voor het avondeten. Check! Het is begonnen! Aan tafel raken we meteen in gesprek over kunst in het algemeen, de NAU, werkbesprekingen, docenten 😊 en ons eigen maakproces. Gesprekken die niet meer stoppen tot ik vijf dagen later op Utrecht station uit de trein stap, zo blijkt. Mijn kamergenoten, mijn tafelgenoten, de studenten, we zijn gelijkgestemden als het op kunst aankomt. Geweldig. Niemand die je verveelt aankijkt als je over kunst praat. Bovendien lijkt iedereen me even aardig. De eerste avond ben ik er al uit: ik ga hier zeker geen spijt van krijgen!


Op dag 1, maandagochtend, staan we allemaal stipt om half 10 buiten de poort en loodsen de docenten ons door de nauwe straatjes naar de eerste kunst-locatie van die dag; Fondazione Prada. Als we de straat inlopen en stoppen voor een pand waar de ingang wordt ont- of versierd door borden rondom met afbeeldingen van diamanten en de tekst ‘Queen of Pawn, House of Diamonds, vraag ik me af of dit wel kan kloppen. Misleiding en precies de bedoeling, zo blijkt. Later die ochtend, als we weer buiten staan, zie ik meer mensen rondtrekkende bewegingen maken kijkend op hun routeplanners op zoek naar de ingang. Dan is bij mij het kwartje inmiddels gevallen dat hier iets geks aan de hand was. Maar ook dan weet ik nog maar nauwelijks waar de expositie van de kunstenaar Christoph Büchel over ging. De kunstenaar heeft het volledige pand, het 18de-eeuwse palazzo Ca’ Corner della Regina, van boven tot onder getransformeerd. Tot ja, wat eigenlijk? Veel spullen, heeeel veeeel spullen en ogenschijnlijke troep staan er uitgestald. Hier moet iemand het eventjes heel druk mee hebben gehad. Later hoor ik dat het een failliet gegaan pandjeshuis moet voorstellen. Het blijkt dat vroeger in het paleis een Monte di Pietà (een Pawnshop, pandjeshuis) zat waar de arme Venetiaan terecht kon voor leningen tegen inlevering van spullen. Wat ingewikkeld allemaal. Maar wel gaaf. Een totaalconcept, waarin de kunstenaar niet altijd zichtbaar zijn eerdere installaties heeft verwerkt en verwijzingen maakt naar historische en bestaande kunst. Het gaat over de relatie tussen schuld, rijkdom en macht. Op de begane grond lees ik een oude aanklacht tegen het overtoerisme van de stad Venetië, mede als gevolg van de Biënnale. Die boodschap trek ik me gelijk aan, als hedendaagse Biënnale toerist. Dat we konden zoeken naar kunstwerken tussen alle spullen wist ik trouwens niet. Ik zag de ‘Diamond Maker’ wel, maar kende de context niet. Ook lopen we door gek ingerichte kamers. Zoals een slaap-, game- en -eetvertrek ineen voor in zichzelf gekeerde gamers die geen daglicht nodig schijnen te hebben. Een mijnkamer voor bitcoins. En een verwaarloosde keuken, misschien van een oudje die zichzelf niet meer kan verzorgen? Toch is me het meest bijgebleven een roze post-it met een terugbelnotitie. Deze zit vastgeplakt op het bureau van een werkplek waar, zo te zien op de computer, historisch onderzoek wordt gedaan. Deze roze post-it vat voor mij samen waar het in het maakproces volgens mij om ging. De kunstenaar moet met groot gevoel voor detail en zorgvuldigheid zijn spullen hebben uitgezocht en uitgestald. En wat een werk moet het zijn om straks alles weer naar buiten te sjouwen. Hoeveel assistenten huurt hij daarvoor in? En waar laat hij zijn spullen straks? Hopelijk heeft hij daar een duurzame oplossing voor bedacht. Een praktische gedachte die ik wel vaker krijg als ik er rondloop. Pas later bij de nabespreking in het hostel hoor ik meer over de achterliggende boodschap van dit alles. En dan vraag ik me af, is het verstandig om eerst informatie op te zoeken over de kunst die we gaan bekijken, zodat je beter voorbereid bent? Of is het fijner om gewoon onbevangen een expositie binnen te stappen en te ervaren? Persoonlijk denk ik het laatste. Kunst mag ook voor zichzelf spreken, toch?
Op dag 1 bezoeken we nog twee andere tentoonstellingen. In de vroege middag is er een schilderijen expositie van Julie Mehretuen nog andere kunstenaars in het Palazzo Grassi. In de namiddag een tentoonstelling met films en sculpturen van Pierre Huyghe in de Punta della Dogana. Twee totaal verschillende ervaringen. De laatste schijnt ‘immersief’ te zijn. Een woord dat je wel vaker tegenkomt in beschrijvingen van exposities. Die van de ochtend was zeker onderdompelend. Bij Julie Mehretu starten we met een film over haar ontwikkeling als kunstenaar. Dat inspireert. Ik vind het mooi om te zien hoe ze haar werken opbouwt in verschillende lagen. En inspiratie vindt in afbeeldingen uit kranten, routebeschrijvingen van vliegvelden en plekken met een verhaal. Eenmaal voor haar schilderijen vind ik ze de ene keer fenomenaal, de andere keren iets te glad. De lagen in haar werk zijn goed te zien, maar leveren geen zichtbaar reliëf op. Wat ik wel had verwacht.
Later die middag bij Pierre Huyghe kan ik niet snel genoeg weer naar buiten. Ik ben overprikkeld door het aanbod van eerder. In de eerste zaal voel ik me onbehagelijk bij het zien van een film over ‘liminale ruimte’. Liminaliteit als begrip ken ik uit de antropologie wat zoiets betekent als tussenruimte of in transitie zijn, of rite de passage. In de film zien we een persoon zonder gezicht die in transitie is van niet-mens naar mens-zijn, zo denk ik te begrijpen. De film is een real time simulatie. De ervaring is inderdaad immersief. Het beeldscherm is ruimtevullend en de zaal is donker, waardoor je de scene wordt ingezogen. Ik voel me er niet op mijn gemak. Ik besluit daarom snel door de expo heen te lopen en zie flarden van de andere films van Huyghe. Een over een robot en een eeuwenoud skelet uit Chili en een ander over een aapje met een meisjesgezicht in Fukushima. Bij de nabespreking ’s avonds in het hostel blijkt dat deze films veel indruk hebben gemaakt bij de andere studenten en discussie losmaakten. Bijvoorbeeld of het ethisch is om kunst te maken waarin dieren een rol hebben. Ook praten we nog na over de vraag of een kunstwerk uitgevoerd door assistenten nog wel alleen toegeschreven kan worden aan de oorspronkelijke bedenker. Mehretu blijkt veel assistenten in te zetten. Bij de nabespreking merk ik dat we allemaal ons eigen kijkvenster hebben. Hetzelfde kunstwerk kan totaal verschillende ervaringen oproepen. En ieder van ons neemt iets specifieks mee naar huis als inspiratie voor het eigen maakproces. Dat maakt ons allemaal uniek.



Op dag 2 verzamelen we om half 11 voor een bezoek aan de Arsenale. Een van de grote complexen waar veel kunst verzameld is voor de Biënnale. Voordat we ons verzamelen voor de entree vertelt een van de docenten iets over de geschiedenis van het militaire gebouw en terrein. Bij binnenkomst lees ik eerst de informatie over de achtergrond van deze Biënnale, de 60ste editie alweer. De titel ‘Foreigners everywhere’ heeft verschillende betekenissen. Het gaat over leven in de marge; als buitenstaander, nieuwkomer, migrant, vreemdeling, als inheems persoon. Ook gaat het over anders-zijn of -voelen. We gaan veel werk zien van kunstenaars uit landen van het zuidelijk halfrond, die eventueel een thuis hebben gevonden in landen boven de evenaar. Ook kunstenaars met een lhbti+ achtergrond, autodidacten, ‘outsider’- kunstenaars krijgen een podium. Op bordjes bij kunstwerken lezen we vaak dat het de eerste keer is dat een kunstenaar op de Biënnale staat. De curator, zelf afkomstig uit Brazilië, maakt hier echt een punt van. Venetië was altijd al een smeltkroes van culturen en etniciteit. Dus deze Biënnale is nu weer het podium voor al die kunstenaars die eerder in de marge werkten. Mooi uitgangspunt. Wel valt me gedurende de dagen die volgen op dat kunst van of over mensen met een beperking niet of nauwelijks te vinden is. Een gemiste kans denk ik. Ook zij ervaren vaak stigma doordat anderen hen beschouwen als afwijkend van het normaal.
Wat valt me verder op deze dag? Mooie schilderkunst, gebruik van kleuren op doek, verftechnieken, portretten, textielkunst met schattige borduursels en natuurlijk diverse installaties en videokunst. Het is allemaal even indrukwekkend. Mij beklijft ook het gevoel dat ‘we’ (mensen in de Westerse wereld) ‘collectief schuldig’ zijn aan alles wat mis is gegaan door ‘onze’ bemoeienissen in andere werelddelen. Dat gevoel dringt zich de dag erna bij de landenpaviljoens overigens nog wat sterker op. Een fijne opfrisser is daarom een performance (de enige deze Biënnale?) van een kunstenares van de Seychellen. Zij heeft het Say-hello concept bedacht en je kunt daaraan meedoen. Door een groen lint met de tekst Say Hello op je tas of jas te spelden laat je anderen, vreemden voor je, zien je dat in bent voor een gesprekje en zo ontstaat er verbinding tussen mensen. Ik vind dat een leuk concept. Ik ben zelf ook bezig met het doorgeef principe van sociaal contact en raak daardoor in een fijn gesprek met de kunstenares.
‘s Avonds bij de nabespreking, die iedere avond door een ander groepje studenten wordt voorbereid, bespreken we in groepjes wat ons is opgevallen. De inzending van Italië had bij meerdere studenten veel indruk gemaakt. In een van de twee grote loodsen waar Italië exposeert, kun je navigeren in een ruimte vullende buizeninstallatie. De buizen werken als een orgel. En middenin staat een bassin met op en neer bewegende golven van met aarde (?) verzwaard water. Als je hier langer verblijft en alles in je opneemt (immersief?) geeft dit een spirituele ervaring, zo vertellen studenten. Zelf vind ik het werk van Dalton Paula mooi. Historische figuren van Afrikaanse afkomst geschilderd op groot doek.



Dag 3, de laatste dag dat de docenten ons begeleiden, bezoeken we de Giardini delle Biënnale. Een prachtige buitenlocatie met paviljoens van verschillende landen, waaronder natuurlijk het Nederlandse Rietveld paviljoen. In het hoofdpaviljoen zijn al meer dan 100 werken van verschillende kunstenaars bijeen gebracht door de curator van de Biënnale. Ik koop hier het tentoonstellingsboek en loop met het boek in de hand langs alle zalen in de hoop deze keer niet al te veel te missen. De dag ervoor leek ik veel over het hoofd gezien te hebben. Ook hier weer veel moois en interessants te zien. Zoals de zwart-wit schilderijen van Giulia Andreani over de suffragettes en positie van vrouwen aan het begin van de 20ste eeuw. Ze heeft een fragiele een doorzichtige manier van schilderen, die ik erg mooi vind. Zij gaat met haar werk een dialoog aan met de autodidactische kunstenares Madge Gill. Zij scheen weer te schilderen onder invloed van een spirituele gids. Fijn zo’n gids, dan kun je dat allemaal nog eens teruglezen.
De foto-expositie over Puerto Rico vind ik ook interessant. Verder blijf ik nogal lang hangen in kamertje 152 waar op film in meerdere aktes uitleg wordt gegeven over de problematische ‘liefdes’ relatie tussen Italië en Libië. Fascinerend. De vorm waarin de kunstenares haar onderzoek presenteert is zeker interessant, maar hier word ik toch eerder getrokken door mijn honger naar historische feiten. Later, als ik de landen paviljoens van Nederland en Spanje bezoek word ik teruggebracht naar mijn studie culturele antropologie van jaren geleden. Ik neem alles met gretigheid in me op. Ik breng er zoveel tijd door, dat ik schrik van de tijd die is voorbij gegleden. Al half 3 in de middag als ik weer buiten sta. Ik hanteer duidelijk niet de juiste strategie om de Giardini te doorkruisen. Het paviljoen van de Belgen heb ik dan gelukkig al bekeken. Wat een leuk intermezzo. We kijken hier naar folkloristische reuz(inn)en die samen met een groep kunstenaars op een vrolijke reis zijn door verschillende landen, de Alpen zijn overgetrokken en nu in Venetië zijn voor een tussenstop. Samen maken ze een verhaal en delen ze dat met de bezoekers. Tof. De reuzen kijken mooi neer op al die andere paviljoens. Opgejaagd door tijd, vraag ik een paar ervaren Venetië gangers welke paviljoens ik zeker nog moet zien. Ik stop mijn boek gauw weg en bezoek o.a. het Duitse, Japanse, Egyptische, Poolse en Roemeense paviljoen. Eigenlijk te veel om op te noemen wat je dan in zo’n korte tijd nog aan indrukken opdoet. Dat is wel zo’n beetje de kern van deze Biënnale. Dit is een immersieve ervaring op zichzelf. De verwerking van alles wat ik heb gezien is bij thuiskomst nog in volle gang. Steeds komt weer iets anders bovendrijven wat indruk maakte.



Ook de volgende dag, wanneer we op onszelf zijn aangewezen, doorkruisen we de stad te voet en met de watertaxi naar de verschillende kunstlocaties. In een leuk groepje van vier, gaan we eerst naar Willem de Kooning in de Gallerie dell’Accademia. We worden allemaal erg blij van het werk van deze schilder en boetseerder. Een verademing dat het hier om de schilderkunst en de vorm gaat. Je kunt kijken en verwonderd raken zonder persé veel te hoeven weten van de achtergrond van de werken. De twee verdiepingen met oude schilderkunst gaan er bij ons ook nog prima in. Mooie tegenstelling met het abstracte werk van De Kooning. Goed om te zien waar de schilderkunst ooit begon. Na dit bezoek nemen we de watertaxi naar het eilandje San Giorgio Maggiore. We besluiten de route verkeerd-om te nemen, zodat we een uur op het water zijn, en Venetië doorkruisen via de grote kanalen. We zijn nu even de toeristen waar de Venetianen niet altijd blij mee zijn. Op het eiland bezoeken we de tentoonstelling van de Belgische kunstenaar Berlinde de Bruykere in de Abbazia di San Giorgio Maggiore. De wassen beelden van engelen bedekt met dekens raken mij. Zeker na het zien van de uitleg over de betekenis. De kerk zelf geeft een mooie ambiance. Alsof het nog niet genoeg is nemen we de tentoonstelling van Venetiaans glaswerk in een nabijgelegen gebouw ook mee. Even later houden we het voor gezien en vertrekken met de watertaxi naar Lido voor een duik in de zee en een ontmoeting met andere NAU-studenten. Hoewel het water warm is, verfrist het zwemmen en vallen de vermoeienissen van me af. Na het avondeten op Lido pakken we in het donker een overvolle watertaxi terug naar de stad. Een hachelijke onderneming met schuddende vlonders en opspattend water.
De dag van vertrek dient zich dan eindelijk aan. De week leek eindeloos te duren. Een hele week ondergedompeld zijn in kunst met een groep studenten die je steeds beter leert kennen geeft een gevoel van flow. En dat gaat de ochtend van vertrek nog even door. We hoeven pas halverwege de middag naar de luchthaven. Met mijn kamergenotes bezoek ik het European Cultural Centre in het Palazzo Mora. Weer een ongelofelijke hoeveelheid kunst is hier verzameld. Werken van Palestijnse kunstenaars trekken o.a. mijn aandacht. Het laatste beeld dat mij van deze ochtend is bij gebleven is van de kunstenares Viel Bjerkeset Andersen. Een foto van haarzelf horizontaal hangend aan een weegschaal. Balans zoekend in het leven, als persoon van middelbare leeftijd. Heel krachtig. Tja, en dat was het dan. We moeten dan toch echt afscheid nemen van Venetië en elkaar en terug naar het leven thuis.

Wat een geweldige ervaring is het geweest. Ik heb er zeker geen spijt van. En ik heb heel veel studenten veel beter leren kennen. Een reis om nog lang van na te genieten en over te praten op de NAU met nieuwe vrienden. Veel dank aan de docenten voor hun begeleiding en fijne gesprekken op de trap en de studenten voor de gezelligheid tijdens alles etentjes.
Caroline van Lindert
