Frances van Gool (2014 afgestudeerd)

Mijn Nieuwe Akademie: Frances van Gool

Al mijn hele leven ben ik bezig dingen te 'maken'. Als kind was ik al een enorme knutselaar. Later volgde ik verschillende cursussen. Ook kreeg ik les in het atelier van een schilder en was lid van een modelclub. Tot ik voor mijn gevoel niet verder kwam; het proces stokte. Maar de kunstacademie volgen durfde ik nog niet, vlak na mijn eindexamen. En later zag ik het niet zitten om werk én gezinsleven helemaal op zijn kop te zetten voor een meerjarige kunstopleiding in deeltijd. Maar het gevoel dat ik meer uit mezelf wilde halen dan met al die los-vaste cursussen mogelijk was bleef aan me knagen.

Na mijn veertigste wist ik het zeker: als ik écht iets wilde met de wens om dingen te blijven 'maken', dan moest ik maar eens stappen ondernemen. Dus toen een vriendin mij vertelde over het bestaan van de Nieuwe Akademie – die zijzelf ook had gedaan – sprong ik een gat in de lucht. Ongeveer één zaterdag per maand inplannen voor onderwijs en thuis verder werken, dat was het helemaal! Maar wat me bovenal aansprak: die verdieping vinden, die sturing krijgen die ik zo hard nodig had. Dát wilde ik.

Zo begon ik dus in het najaar van 2008 op de Nieuwe Akademie Utrecht. Als 'spijtoptant', zoals ik met een grijns uitlegde aan belangstellenden.

Tijdens de eerste schooljaren stuiterde ik alle kanten op: schilderen, tekenen, ruimtelijk. Alles was even leuk. We moesten meer dan levensgrote tennisballen natekenen en kregen fel commentaar van de juf als we het vel papier niet helemaal vulden. Bij ruimtelijk kleiden we een voorwerp dat alleen maar blind betast mocht worden: heel sensueel. Ook het verbeelden van abstractere begrippen sprak zeer tot ieders verbeelding. Want met welk materiaal en met welke techniek geef je zweven het beste weer? Of hangen? En luchtig of licht dan?

les-Josales-josb

Ook het contact met de medestudenten was zeer inspirerend. De restjes wol, stukken cadeaupapier, puddingbekers, versleten kinderspeelgoed en ander wegwerpspullen, die we van huis meenamen voor ruimtelijke lessen, werden tijdens de lessen broederlijk gedeeld. (Hele nieuwe werelden werden ermee geschapen!) En van samen in de bus diverse tentoonstellingen bezoeken in binnen- en buitenland kregen we allemaal nieuwe energie en, vooral, de broodnodige inspiratie.

Nee, alles was even leuk, die eerste jaren.

Totdat ik in de gaten kreeg dat mijn geduld met penseel en potlood opraakte. En ontdekte dat de x-acto – zo'n gevaarlijk puntig mesje – mij als instrument veel beter in de vingers lag. Ook daar kon ik wat mee 'maken'. Wat een openbaring was dat! IJverig sneed ik in een stukje stof de contouren en structuren van een plant uit. En tevreden bracht ik het werkstuk mee naar de eerstvolgende werkbespreking, waar ook de meester enthousiast reageerde op mijn vondst.

Gek genoeg kreeg ik van die ontdekking niet alleen goede vibes, want tijdens die bewuste werkbespreking barstte ik spontaan in tranen uit. Dat was vreemd en nogal onverwacht. Ik was toch altijd zo sterk? Misschien was ik nog niet toe aan het abrupte loslaten van de kwast? Daarom wierp ik me voor de volgende werkbespreking weer verwoed op het vol schilderen van een aantal doeken. Maar eenmaal op school kreeg ik de wind van voren: nee, nou niet afdwalen en terugkrabbelen! Ik had iets ontdekt, tenslotte, en daar moest ik mee verder. Dus ging ik thuis weer verder stoeien met mijn x-actomesje en de herontdekte stoffenverzameling. Maar het materiaal dat eerst zo prettig weerbarstig aanvoelde onder het scherpe puntje van mijn mesje, begon me ineens verschrikkelijk te irriteren.

knipwerk

Dan maar weer terug naar papier om dáár gaten in te snijden. Helaas vond ik zelf dat er maar weinig zinnigs uit mijn vingers kwam, en alleen met het nodige geworstel. Thuis eigen werk maken viel nog vies tegen. En het atelier dat ik via de gemeente van mijn woonplaats had kunnen regelen – een verlaten boerderij op twintig fietsminuten van mijn huis – bracht me lang niet altijd de nodige rust. Sterker nog, ik voelde enorme onrust als ik er niet naartoe kon, en eenmaal daar ging het werken niet van een leien dakje. Tegen de werkbesprekingen zag ik vreselijk op. Poeh, dat viel tegen: die leuke opleiding bleek ineens enorm confronterend!

Al met al kostte het me steeds meer moeite en energie om iets te maken wat me zelf beviel. Dat merkten ook de docenten; zij stelden voor, aan het eind van het vierde jaar, om dat jaar nog eens rustig over te doen.

Tijdens het doubleren van het voorlaatste jaar ging ik op zoek naar de oorzaak van al die emoties tijdens de werkbesprekingen. Deze 'soul search' kostte me veel energie, maar leverde wél het gewenste resultaat. Ik kon langzaamaan meer afstand nemen van mijn innerlijke onrust en kreeg meer grip op wat ik nu écht wilde verbeelden. Zo kwam ik steeds dichterbij mijn eigen kunstenaarschap. Bovenal drong tot me door dat ergens in snijden niet altijd betekent dat er iets kapot gaat. Ook met gaten kun je iets 'maken'.

Veel filosofen hebben het al gezegd: het is niet de eindbestemming waar het om gaat als je onderweg bent, maar de reis ernaartoe. Daarom ben ik, nu ik in de zomer van mijn afstudeerjaar terugkijk op mijn hele proces op de Nieuwe Akademie, niet alleen heel moe, maar vooral ook erg blij. Moe van het gevecht natuurlijk: die sturing en verdieping waar ik zo naar op zoek was geweest, was me niet in de koude kleren gaan zitten. Maar de blijdschap die ik voel – nu ik in alle rust verder kan bouwen aan mijn werk – is immens. Vooral omdat ik tóch heb doorgezet. Ik heb de reis aangedurfd. En al ben ik nog lang niet bij het reisdoel gearriveerd, ik ben een flink eind onderweg!

Frances van Gool